Eigenlijk geen peil op te trekken
Teleurgesteld. En eigenlijk een beetje boos. Met krokodillentranen reageerden Hans Laroes (NOS) en Harm Taselaar (RTL4) op de verkiezingsuitslag. Niet dat met die uitslag nu zoveel mis was – het levert de media de komende vier jaar vast prachtig politiek vuurwerk op – maar de officiële uitslag verschilde fors van de uitslag die ze aan het begin van de verkiezingsavond op basis van exit-polls hadden voorspeld. Om tien voor negen, nog voordat de stembussen waren gesloten, kwam TNS-NIPO op RTL4 als eerste met de verkiezingsuitslag. Nu ja, men hield nog een slag om de arm: de uitslag op basis van een exit-poll zou er eventueel een zeteltje naast kunnen zitten.
Het werden er maar liefst acht.
De rol van opiniepeilingen in de berichtgeving rond de verkiezingen van vorige week was groot. Te groot. Dagelijks openden de journaals met de nieuwste peilingen. De interesse is te begrijpen: het Nederlandse kiesvolk is het meest beweeglijke van Europa. Sinds 1994 wisselen elke verkiezing 20 tot 45 van de 150 Tweede-Kamerzetels van partij. Bovendien gebruiken veel kiezers de opiniepeilingen om hun stem te bepalen. Sommigen menen ‘strategisch’ te moeten stemmen – hoewel nog altijd niet duidelijk is wat dat nu precies betekent. Anderen stemmen op de partij of de politicus die in de opiniepeilingen de wind in de zeilen heeft – in dit geval dus op Marijnissen. Weer anderen stemmen uit medelijden op de underdog van de opiniepeilingen – bijvoorbeeld op D66.
Daar is op zich niets mis mee. Stemmen op de winnaar of verliezer volgens opiniepeilingen is net zo legitiem als stemmen op basis van traditie, verkiezingsprogramma, of een lekker kontje. Het probleem zit hem in de kwaliteit van de opiniepeilingen. Deze worden geacht een afspiegeling te zijn van de hele bevolking. Maar dat zijn ze niet. Bejaarden, allochtonen, werkelozen, mensen zonder computer of internet, en cynische of wantrouwende mensen zitten niet in de steekproeven van de opiniepeilers. Politieke onderstromen – denk aan Wilders’ PVV – worden daardoor steeds onderschat.
Belangrijker nog, is dat kleine verschillen in opiniepeilingen in de media worden opgeblazen tot grote zogenaamde winsten of verliezen. Wat de media daarbij niet zeggen, is dat deze verschillen buiten de opiniepeiling mogelijk niet bestaan. Op basis van een steekproef kan voorzichtig worden geschat wat de zetelverdeling in de hele bevolking ongeveer is. Anders gezegd: er is een foutmarge. En hoe kleiner de steekproef, hoe groter de foutmarge is. Bij een steekproef van 1500 mensen (zoals de onderzoeksbureaus in Nederland de laatste weken hebben gebruikt) is de foutmarge tamelijk groot. Van een partij die in de steekproef 40 zetels haalt, kan je zeggen dat deze ‘in het echt’ tussen de 37 en de 43 zetels zal halen. Wanneer we een partij twee, drie of zelfs vier zetels zien dalen tussen twee steekproeven – zoals de VVD eind oktober en begin november – is dat verschil zo klein, dat het niets zegt over de rest van Nederland. Het is een reële mogelijkheid dat de VVD-aanhang in de rest van Nederland in deze periode stabiel bleef. Op basis van de steekproef kunnen we daar simpelweg niets over zeggen.
Maar de media doen dat toch. En uiteindelijk blijken veel van de bevindingen in grote lijnen te kloppen. De VVD en de PvdA hebben verloren, de SP heeft gewonnen, het CDA is de grootste, en Verdonk kreeg meer stemmen dan Rutte. Maar zijn de opiniepeilingen hiermee trendvolger, of eerder trendsetter?
Doordat de media geen rekening te houden met het probleem van representativiteit en foutmarges, kwamen de PvdA en de VVD al snel in de hoek waar de klappen vallen. Een kleine neergang in de peilingen werd door de media al snel vertaald tot een ‘fors verlies’. De lijsttrekkers werden in de media aangesproken op het vermeende gebrek aan succes.
Mark Rutte kreeg er in het programma Pauw en Witteman bovendien nog een peiling van Maurice de Hond overheen waaruit zou blijken dat Rita Verdonk als lijsttrekker meer zetels zou halen dan hij. Ook dit zouden de opiniepeilers statistisch nooit hard kunnen maken, maar de imago-schade is dan al aangericht.
Rutte (VVD) en Bos (PvdA) staan te boek als losers. Marijnissen (SP) en Rouvoet (CU) zijn winnaars. Kiezers stemmen op de winnaars, en komen terecht bij de SP en de ChristenUnie. De VVD en de PvdA raken van slag, besluiten hun campagnes aan te passen. In de media wordt Rouvoet uitgenodigd voor het lijsttrekkersdebat, maar wordt Geert Wilders buitengesloten. Het lijsttrekkersdebat kan niet eens zijn uitwerking vinden op de publieke opinie, want direct na afloop worden in het journaal de nieuwste opiniepeilingen alweer gepresenteerd – opiniepeilingen die nog voor datzelfde debat plaatsvonden. Maakt niet uit, de verkiezingscarrousel draait door. Tijd voor de volgende peiling.
De gekte rond de opiniepeilingen neemt van alle kanten toe. Kiezers, politici, en vooral de media zelf nemen de peilingen veel te serieus. Kleine verschillen in opiniepeilingen, vaak veroorzaakt door meetfouten of statistische onzuiverheden, worden uitvergroot. De media betitelen en behandelen politici als onaantastbare winnaars of schlemielen. Politici gaan zich ernaar gedragen. En uiteindelijk bouwen kiezers op het door de opiniepeilingen gecreëerde imago voort. Zo wordt de opiniepeiling een self-fulfilling prophecy.
Politicoloog en methodoloog T.W.G. (Tom) van der Meer is junior-onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij houdt zich onder meer bezig met partijstelsels en coalitievorming, vertrouwen in de overheid, en maatschappelijke participatie.