Volkspartij voor Vrijheid en Democratie
De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie werd in 1948 opgericht als naoorlogse voortzetting van de Partij van de Vrijheid (de naam die Geert Wilders inmiddels tot de zijne heeft gemaakt), de Liberale Staatspartij, met medewerking van enkele PvdA’ers. Eén van hen was professor Oud, die teleurgesteld was in de Partij van de Arbeid, die het verzuilde partijstelsel van voor de Tweede Wereldoorlog had moeten doorbreken. Toen duidelijk werd dat de PvdA steeds meer het karakter begon te krijgen van de vooroorlogse Sociaal-democratische Arbeiderspartij (SDAP), nam Oud het initiatief tot de gesprekken die op 24 januari 1948 resulteerden in de oprichting van de VVD.
Oud was zonder enige twijfel de belangrijkste VVD’er in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Hij bekleedde tegelijkertijd de functies van partijvoorzitter en fractievoorzitter en drukte zodoende krachtig zijn stempel op de jonge liberale partij. Aanvankelijk regeerde de VVD een aantal jaren mee onder premier Willem Drees, maar nadat de VVD in 1952 uit het kabinet stapte, zocht Oud steeds meer de confrontatie met de PvdA. Dat is de VVD blijven doen tot en met het eerste kabinet Kok in 1994 (Paars I).
In 1963 zorgde een reeks van slechte verkiezingsuitslagen voor onrust in de partij. Een aantal kamercentrales wist een reorganisatie te bewerkstelligen, die gepaard ging met een verjonging van het partijkader. Partijleider Oud stapte op, waarna het fractievoorzitterschap in de jaren zestig afwisselend lag bij Toxopeus en Geertsema, die stabiele uitslagen tijdens de verkiezingen behaalde.
De roerige jaren zestig leken qua opvattingen maar weinig invloed te hebben op de VVD. In die progressieve tijdgeest, werd de partij een baken van conservatief liberalisme. De poging van een aantal progressieve leden om de koers van de VVD bij te sturen, mocht niet baten, waarna zij teleurgesteld de partij verlieten.
In de jaren zeventig zouden de zaken drastisch veranderen voor de VVD. De belangrijkste naam in deze periode is natuurlijk Hans Wiegel, die in 1967 op vijfentwintigjarige leeftijd in de Tweede Kamer kwam. Onder zijn leiderschap veranderde de partij vanaf 1971 van een wat stijf aandoende conservatieve club in een ‘volkspartij’. Wiegel wist met zijn populistische stijl en mediagenieke optredens veel stemmen te trekken, waardoor de VVD fors groeide. Mikpunt van kritiek in deze tijd van polarisatie was, net zoals dat eind jaren vijftig voor Oud was geweest, de Partij van de Arbeid.
In 1973 kwam ‘de verbeelding aan de macht’, oftewel het kabinet Den Uyl (PvdA). Wiegel en de VVD zette zich met genoegen af tegen dit progressieve kabinet, wat de partij electoraal geen windeieren legde. Toen in 1977 het tweede kabinet Den Uyl niet van de grond kwam, stapte de VVD in de regering met het zojuist opgerichte Christen-democratisch Appèl (CDA) onder leiding van Den Uyls minister van justitie en de nieuwe CDA-leider Dries van Agt.
Tijdens deze regeerperiode verloor de VVD flink wat kiezers, evenals het CDA, waardoor de coalitie zijn meerderheid verloor tijdens de verkiezingen van 1981. Wiegel bleef aan als partijleider en nam plaats in de Tweede-Kamerbanken, waar hij echter niet lang bleef. In 1982 vertrok hij naar het noorden van Nederland om daar commissaris van de koningin van Friesland te worden. In de jaren daarop bleef Wiegel zinspelen op een terugkeer in de landelijke politiek en voorzag hij menig opvolger gevraagd en ongevraagd van advies, hetgeen hem de bijnaam ‘Het orakel uit Ljouwert’ opleverde. In het voorjaar van 2006 sloot Wiegel een terugkeer in de landelijke politiek ten slotte definitief uit.
Ed Nijpels volgde Wiegel op als fractievoorzitter en moest onverwacht vroeg de verkiezingen in als lijsttrekker toen het kabinet Van Agt II voortijdig sneuvelde in 1982. Onder zijn lijsttrekkerschap werd het beste resultaat ooit voor de VVD geboekt: zesendertig zetels. Nijpels bleef als fractievoorzitter in de Tweede Kamer zitten toen de VVD toetrad tot het eerste kabinet Lubbers.
In de aanloop naar de verkiezingen van 1986 werd duidelijk dat de VVD in moeilijker vaarwater terecht was gekomen. Het CDA werd door het zelfverzekerde optreden van Lubbers steeds populairder, hetgeen ten koste ging van electoraal concurrent de VVD. Daarbij kwam de RSV-affaire rond minister Van Aardenne. Deze zou de Kamer verkeerd hebben voorgelicht over het afwentelen van verliezen van deze scheepswerf op de Nederlandse staat, hetgeen een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer bevestigde. Van Aardenne bleef niettemin aan, maar de VVD leed ernstige schade naar aanleiding van de affaire.
In 1986 werd er dan ook fors verloren bij de Tweede-Kamerverkiezingen. Van de zesendertig zetels verloor de VVD er negen. Vanaf dat moment brak er ruzie uit over het leiderschap binnen de fractie. Nijpels werd hard aangevallen door Frits Bolkestein, maar toen Nijpels in het tweede kabinet Lubbers stapte en Bolkestein door diens aanhangers niet geaccepteerd werd als leider, kwam Joris Voorhoeve bovendrijven, die tot 1990 het fractievoorzitterschap op zich zou nemen.
Er brak een richtingenstrijd uit binnen de VVD tussen de sociaal-liberalen, waaronder Voorhoeve en conservatievere liberalen, waarvan Bolkestein de belangrijkste vertegenwoordiger was. De discussie concentreerde zich rond de verzorgingsstaat. In deze periode kwamen er twee rapporten uit die de ‘waarborgstaat’ als ideaal zagen, waartegen fractieleider Voorhoeve zich hevig verzette. Medeopsteller van het rapport van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD was Frits Bolkestein.
In 1989 verloor de VVD wederom vijf zetels en belandde in de oppositiebanken. Voorhoeve bleef weliswaar aan als partijleider, maar het was duidelijk dat hij een zware periode tegemoet ging, daar zijn leiderschap zeker niet omstreden was. In 1990 vertrok Voorhoeve alsnog, waarna Bolkestein hem opvolgde. De richtingenstrijd leek in diens voordeel te zijn beslecht.
Bolkestein gebruikte de jaren tot aan de verkiezingen van 1994 om zijn leiderschap te versterken en de partij op inhoudelijke gronden te herijken. Zo werden er diverse rapporten uitgebracht en verklaarde Bolkestein dat regeren met het CDA niet langer een vanzelfsprekendheid was. In deze tijd begon Bolkestein zich tevens te profileren op het gebied van het minderhedenvraagstuk, wat hem op forse kritiek van buitenaf kwam te staan. Hij zou plat en populistisch opereren.
De VVD werd er in ieder geval niet kleiner op: de partij won negen zetels tijdens de verkiezingen van 1994 en trad toe tot het eerste kabinet zonder deelname van een confessionele partij, het eerste ‘Paarse’ kabinet onder leiding van PvdA-leider Wim Kok. Het was het eerste kabinet samen met de PvdA sinds 1952.
Bolkestein bleef als fractievoorzitter actief in de Tweede Kamer en hij bleef de aandacht trekken met zijn boude uitspraken en eigengereide rol ten opzichte van de regering. In de jaren negentig wist Bolkestein het politieke debat in Nederland te domineren en zette het minderhedenbeleid van de Nederlandse overheid nadrukkelijk op de agenda.
In 1998 kandideerde Bolkestein zich voor het premierschap, wat nog geen VVD-leider zo nadrukkelijk had gedaan. Hij haalde het niet, maar behaalde wel de hoogste score voor de VVD ooit: achtendertig zetels, waarna er een tweede Paars kabinet tot stand kwam waarin de positie van de VVD danig versterkt was.
Vlak na de verkiezingen liet Bolkestein het fractievoorzitterschap aan Hans Dijkstal, de vice-premier uit het eerste Paarse kabinet. Dijkstal leidde de VVD op een meer ontspannen manier, wat door veel kiezers wel leek te worden gewaardeerd. Er was in deze jaren ook geen vuiltje aan de lucht voor de VVD en toen Dijkstal na het vertrek van Bolkestein uit Den Haag de onbetwiste leider werd, stond hij in veel peilingen bovenaan als ideale opvolger van minister-president Kok.
Het zou allemaal anders lopen. In 2001 meldde Pim Fortuyn zich voor de verkiezingen bij Leefbaar Nederland. Vanaf dat moment raakte de VVD de dominantie in een aantal debatten (zoals het debat over minderheden en het debat over veiligheid) kwijt en bleek Dijkstal geen verweer te hebben tegen de scherpe kritiek die Fortuyn, vanaf januari met zijn eigen Lijst Pim Fortuyn (LPF) leverde op Paars en de daaraan deelnemende partijen.
Na de voor de VVD desastreus verlopen verkiezingen van 2002 kwam de VVD toch terecht in het eerste kabinet Balkenende. Dijkstal, die afscheid nam na de verkiezingen, werd opgevolgd door Gerrit Zalm, minister van Financiën in de twee Paarse kabinetten (1994-2002). Zalm was als minister zeer populair, maar bleek als partijleider minder goed uit de verf te komen.
Na de verkiezingen van 2003 (Balkenende I sneuvelde al na krap drie maanden) werd Zalm wederom minister van Financiën in het tweede kabinet Balkenende. Hij werd als fractievoorzitter opgevolgd door Jozias van Aartsen, die respectievelijk minister van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij en Buitenlandse Zaken was geweest in de twee Paarse kabinetten. Wie nou de leider was van de partij werd niet geheel duidelijk: Zalm of Van Aartsen? Een VVD-congres bood een compromis, waarbij Van Aartsen zich slechts aanvoerder mocht noemen.
Van Aartsen stapte op in maart 2006 en werd opgevolgd door Willibrord van Beek, terwijl de VVD in de tussentijd voor het eerst in haar bestaan een verkiezing onder de leden organiseerde om de lijsttrekker voor de verkiezingen van 2007 aan te wijzen. De kandidaten waren staatssecretaris Mark Rutte, minister van Vreemdelingenzaken in Integratie Rita Verdonk en Tweede-Kamerlid Jelleke Veenendaal.
Dwars door de verkiezingsstrijd voor het lijsttrekkerschap liep de affaire Ayaan Hirsi Ali. Dit van oorsprong Somalische Tweede Kamerlid, die vanaf haar toetreden tot de VVD veel ophef veroorzaakte met haar ongezouten kritiek op het vreemdelingenbeleid in Nederland en de positie van moslimvrouwen bleek niet haar echte naam en geboortedatum te hebben opgegeven bij haar aankomst in Nederland in 1992, waar zij in de jaren daarna overigens nooit een geheim van gemaakt had.. Naar aanleiding van een uitzending van het televisieprogramma Zembla besloot minister Verdonk haar half mei dat zij niet als Nederlandse kon worden aangemerkt. Dit kwam haar op forse kritiek uit VVD-kringen te staan. Hirisi Ali legde haar Kamerlidmaatschap per direct neer.
Resultaten VVD bij Tweede Kamerverkiezingen
| verkiezing | zetels |
| 1948 | 8 |
| 1952 | 9 |
| 1956 | 13 |
| 1959 | 19 |
| 1963 | 16 |
| 1967 | 17 |
| 1971 | 16 |
| 1972 | 22 |
| 1977 | 28 |
| 1981 | 26 |
| 1982 | 36 |
| 1986 | 27 |
| 1989 | 22 |
| 1994 | 31 |
| 1998 | 38 |
| 2002 | 24 |
| 2003 | 28 |
Verantwoording foto’s:
Prof. Oud, Ed Nijpels, Frits Bolkestein & Hans Dijkstal: www.parlement.com
Verkiezingsaffiche Hans Wiegel: www.vvd.nl